door Bert Keizer
In deze krant stond afgelopen
maandag een bericht over elektronica en het brein. Er stond een foto bij waarop
het slachtoffer van een hoge dwarslaesie, Matthew Nagle, met een grijs blokje op zijn hoofd naar een
computerscherm kijkt waarop hij het pijltje kan laten bewegen door te denken
dat hij zijn hand beweegt.
Hoe krijg je zoiets voor elkaar?
Het werkt zo, denk ik. De neuroloog vraagt aan Nagle:
„Probeer je hand naar links te bewegen.” Via een beeldvormende techniek spoort
hij op in welk deel van Nagle’s brein op dat moment
neuronen actief zijn. Vervolgens plaatst hij een draadje tussen dat plukje neuronen,
waarmee deze activiteit wordt geregistreerd. Dit signaal wordt dan omgezet in
een signaal dat de beweging van het pijltje op het scherm naar links
bewerkstelligt.
Het is bij dit alles essentieel dat de identificatie van het hersendeel waaraan
de neuroloog een signaal wil ontlenen alleen mogelijk is met behulp van de
hersenbezitter. Komen we op terug.
Berichten over mogelijke
vorderingen in geneeskunde zijn vrijwel altijd lichtelijk ontremd van toon.
Medici grossieren in Hoop, een product waarvoor de klant desnoods achteruit
door een riool kruipt als hij hoort dat er mogelijk nog iets voorradig is. Zo
ook in dit artikel, waarin collega Michel van Putten,
neuroloog in het Medisch Spectrum Twente in Enschede, zich geheel binnen deze
onfortuinlijke traditie beweegt.
Hij spreekt van ’neuroprotheses’ die een grootse
toekomst tegemoet gaan, niet alleen bij patiënten maar ook bij gezonde mensen
die iets extra’s willen. Zo zou je over vijftig jaar een chip kunnen kopen en
laten implanteren waar een Franse woordenlijst op staat. „Dat scheelt een hoop
stampwerk”, schrijft Sander Becker.
Op dit punt van het artikel lijkt Van Putten zelf ook terug te schrikken voor
de ondoordachtheid van de beweringen die nu de rand van het onzinnige beginnen
te naderen.
Neemt niet weg dat de neuroloog
beweert: „Een van onze medische doelen is om verlamde patiënten weer op eigen
kracht te laten bewegen.” Hij zegt dit omdat hij weet dat er in Nederland
duizenden zijn die daarop hopen en hij suggereert (ten onrechte) dat er een stap
is gezet die deze mensen gaat redden uit hun ellende.
De stompzinnige eenvoud waarbinnen Van Putten meent dit thema te kunnen
bespreken laat zich het best illustreren aan de hand van een vergelijking.
Stel, uw buurman zegt dat hij naar de maan kan reizen. U vraagt hem hoe hij dat
gaat doen. Nou, hij heeft een vuurpijl overgehouden van oudjaar, daar heeft hij
een luciferdoosje aan vastgemaakt waarin een spinnetje-astronautje
zit. Hij steekt de pijl in een fles, houdt er zijn aansteker onder, richt goed
op de maan, ’Dat mikken is essentieel, begrijp je’, en ssssssssshhhhhhttttt!,
daar gaat-ie. Buurman legt uit dat enkele dimensies
nog moeten worden aangepast en dan heb je een raket en een astronaut. Hij voegt
eraan toe: „Want in principe is het almaar rechtdoor, snap je?” We snappen het.
Nu Van Putten over de dwarslaesie
die ’slechts’ het gevolg is van een blokkade in de zenuwverbindingen. „Kun je
de elektrische signalen aftappen en ’lezen’ dan moet
je er in principe weer een spier of prothese mee kunnen aansturen om zo de
verlamming te omzeilen.”
In principe is het almaar rechtdoor. Het probleem is dat we
ongeveer weten hoe fraai en met welk een ongehoorde subtiliteit ons
zenuwstelsel aan de touwtjes trekt die wij spieren noemen met als gevolg dat dat rare ding, ons skelet, kan zitten, lopen, springen en
zelfs dansen, maar dat er vooralsnog geen zicht is op de mogelijkheid om deze
programmatuur te verchippen. Er komt namelijk te veel informatie bij
kijken: uit het oog, het evenwichtsorgaan, de gevoelszenuwen in de huid, en uit
sensoren binnen alle spieren van het lichaam ten opzichte waarvan deze ene
spier moet gaan samentrekken of ontspannen. Wie denkt dat hij deze signalen
(maar welke precies?) kan aftappen en doorzenden, alsof het om het
doorschakelen van een telefoongesprek gaat, die weet net zoveel van neuroanatomie als de vuurpijlbuurman van ruimtereizen.
Van Putten schrikt vervolgens niet
terug voor de ultieme uitdaging in neuroanatomie, de
vraag of je uit hersenactiviteit gedachten en dromen zou kunnen aflezen. We
hebben het over hersenactiviteit die niet
(onmiddellijk?) in beweging, oftewel gedrag, wordt omgezet. Activiteiten als
denken, voelen, dromen, herinneren, vrezen. Hier is het onmogelijk om bij
neuronale activiteit een conclusie te trekken over de bijkomende beleving,
tenzij de ’bewoner’ van het brein ons inlicht over wat hij meemaakt.
Van Putten heeft geen last van deze uiterst fascinerende omstandigheid en stelt
desgevraagd dat hij het aflezen van gedachten en dromen haalbaar acht „zij het
pas op zeer lange termijn”. Prachtige toevoeging, die lange termijn, waarmee
nog eens extra het gratuite van al dit getetter wordt benadrukt.
Laat ik hieraan toevoegen dat ik het in principe mogelijk acht dat we binnen
273 jaar in staat zullen zijn om de poolkappen op en af te zetten als een
keppeltje. In principe een kwestie van petje op, petje af.
© Trouw,
12 augustus 2006